Post by Eugène van den Hemel

Onofficieel Dichter des Arbeidsmarkts Meer info? Stuur een DM!

Nog voordat de eerste warmte uit de stenen omhoog kroop, lag het veld al wakker. De lavendel ademde langzaam. Haar geur hing laag boven de aarde, alsof de nacht nog niet helemaal had besloten te vertrekken. Verderop stonden de zonnebloemen roerloos in het bleke ochtendlicht. Ze leken niet te wachten op de zon. Ze wisten dat zij zou komen. Een enkele krekel begon. Dat was genoeg. Iedere ochtend liep de oude tuinman hetzelfde pad. Hij droeg nooit iets bij zich. Geen schop. Geen mand. Geen schaar. Alleen zijn handen. Hij keek alsof hij iets terugzag wat anderen niet meer konden zien. Op een ochtend trof hij een jongen aan die midden in het veld zat. Voor zich had hij een vel papier uitgespreid. Met grote zorg trok hij lijnen. “Wat maak je?” vroeg de tuinman. “Een kaart.” “Waarvan?” “Van dit veld.” De tuinman ging naast hem zitten. De jongen tekende de lavendel. De zonnebloemen. De vijgenboom. De stenen. Het smalle pad dat zich tussen de bloemen door slingerde. Af en toe keek hij op om te controleren of alles nog op zijn plaats stond. Pas toen hij bijna klaar was, legde hij zijn houtskool neer. “Er ontbreekt iets.” De tuinman zei niets. “Ik krijg het er niet op.” “Wat niet?” “Dat weet ik juist niet.” Ze bleven zwijgend zitten. Een hommel verdween tussen de paarse aren. Een vlinder stak zonder aarzelen over naar een zonnebloem. De wind streek door het veld en nam ongemerkt iets van de geur mee. Even later rook de lucht tegelijk naar lavendel, zon en honing. “Nu begrijp ik het,” zei de jongen. De tuinman glimlachte. “Nee,” zei hij zacht. “Je begint het te zien.” Ze liepen verder. Langs de rand van het veld stonden oude olijfbomen. Hun stammen waren zo grillig dat het leek alsof de tijd zelf zich erin had verscholen. “Waarom verandert u nooit iets?” vroeg de jongen. De tuinman bleef staan. Hij keek naar een zaadje dat door de wind werd opgetild, even aarzelde en ergens verdween waar niemand het nog terug zou vinden. “Wie zegt dat ik niets verander?” “U plant niets.” “Nee.” “U verplaatst niets.” “Nee.” “Wat doet u dan?” De oude man liet zijn blik over het veld gaan. “Ik zorg dat er niets in de weg staat.” De jongen keek opnieuw om zich heen. Voor het eerst zag hij dat het veld nergens ophield. Niet bij de lavendel. Niet bij de zonnebloemen. Zelfs niet bij de heuvels in de verte. Alles liep in elkaar over. De bloemen in de geur. De geur in de wind. De wind in de lucht. En de lucht weer terug in alles wat groeide. Toen vouwde hij zijn kaart op. Heel voorzichtig. Alsof hij begreep dat sommige landschappen kleiner worden zodra je ze probeert vast te leggen. De tuinman liep verder. Zoals iedere ochtend. Zoals iedere avond. En het veld bloeide. Niet omdat alles zijn plaats kende. Maar omdat niets vergat met het andere verbonden te zijn.